Sporttechnische basisprincipes
(Tjalling van den Berg en Ans Schweigmann)

 

Tjalling van de Berg en Ans Schweigmann, beiden docent Lichamelijke Opvoeding (ALO) hebben samen in 1998 een trainingsprogramma ontwikkeld voor de kernploeg van voltigeurs. Om dit trainingsprogramma te begrijpen is een bepaalde sporttechnische basiskennis nodig. Tijdens de bijeenkomsten op 28 november, 12 december 1998 en 9 januari 1999 in de Turnschool Heerenveen is een begin gemaakt om uitleg te geven aan de begrippen:

Met de 17 aanwezige trainers is daarnaast ook het trainingsprogramma voor voltigeurs besproken en in de praktijk bekeken. Hieronder per begrip zeer summier de essentie.

 

Biomechanica
Het skelet is het fundament van ons lichaam. Het zorgt voor stevigheid en kan grote lasten dragen, mits deze lasten op de juiste wijze op de juiste stand van de botten en gewrichten terechtkomt.
Er zijn natuurlijk wel grenzen aan wat het skelet aankan. Ruw gezegd is de juiste stand van het skelet een stand waarbij alle gewrichten kaarsrecht op elkaar staan. Dit is ook logisch. Als we staan drukt de zwaartekracht continue op de gewrichten.
Door langdurige het skelet in een verkeerde stand (houding) te belasten kan een grotere slijtage (concentratie van druk op een klein punt) ontstaan. Meestal ontstaat de slijtage aan het uiteinde van de botten waar zij in de gewrichten bij elkaar komen.

De wervelkolom is bijzonder. De wervelkolom bestaat uit een verzameling kleine botten, wervels, die samen de taak hebben de zenuwbanen te beschermen. Vanwege deze beschermende functie is het belangrijk extra aandacht te besteden aan de wervelkolom en deze zo correct mogelijk te belasten. De beste houding blijftechter dat de houding waarin alle wervels zo recht mogelijk op elkaar staan.
Ook in de gymnastiekwereld is wat dat betreft veel veranderd. Vroeger was een handstand een handstand. Als je bleef staan dan was het goed. Een stijve schouder kon gecompenseerd worden door een holle rug.

Tegenwoordig, om gezondheidsredenen, dient een handstand conform de principes van de biomechanica, met een rechte, verticale rug te worden uitgevoerd. Dit betekent wel dat de schouders ook lenig genoeg moeten zijn
           Fout                        Goed

Lenigheid
Lenigheid is het vermogen om bewegingen met een maximale bewegingsuitslag (amplitude) uit te voeren. Het doel van lenigheid in de sport is:

Het doel van bewegen volgens de principes van de biomechanica is zo gezond mogelijk bewegen. Bijvoorbeeld de handstand met de rechte rug, die niet kan worden uitgevoerd als de schouders niet lenig genoeg zijn. Lenigheid die nodig is voor deze manier van bewegen is objectief en onafhankelijk van cultuurverschillen te beoordelen. Het is een functionele lenigheid. Een beweging kan mooier en expressiever worden als de bewegingsuitslag tijdens het bewegen groter is. Dit heeft echter niets te maken met een gezonde manier van bewegen. Het is voor de show en deze lenigheid is subjectief, want smaken verschillen. Tegenwoordig ligt het accent in de sport op gezond bewegen, dit betekent dat bij beoordelingssporten, als turnen, sportacrobatiek, trampolinespringen en gelukkig sinds 1993 ook bij het voltigeren, de uitvoering van de bewegingen wordt beoordeeld volgens de objectieve criteria van de biomechanica.

Dit betekent dat de lenigheid van de sporter moet daarbij in eertse instantie functioneel zijn, een gezonde bewegingstechniek mogelijk maken. De lenigheid dient in de juiste gewrichten te worden getraind. Bijvoorbeeld: twee mensen kunnen even lenig lijken. Beiden kunnen ze bijvoorbeeld met gesterkte benen met de handen aan de grond komen. Als er echter wordt gekeken naar de plaats van de buiging, in welke gewrichten de buiging plaats vindt kan dit verschillend zijn.
Bij de eerste figuur wordt de lenigheid bepaald door een buiging in de wervelkolom. Bij de twee figuur in het heupgewricht. De tweede figuur kan de wervelkolom bijna geheel recht houden. Tijdens trainingen moet er op gelet worden dat de beweging zoals dat heet ‘niet uit de rug’ wordt gehaald.

Schouder- en heup-lenigheid zijn essentieel om bewegingen en lasten met een zo recht mogelijke rug te kunnen uitvoeren.
          Fout                           Goed

Het is belangrijk te realiseren dat er veel beweging in de wervelkolom mogelijk is doordat de wervelkolom bestaat uit vele verschillende wervels. Vroeger werd veel buiging en daarmee lenigheid ‘uit de rug’ gehaald. Tegenwoordig weten we dat het gezonder is om de ruggenwervels zo recht mogelijk op elkaar te houden. Dit kan alleen door optimale lenigheid in schouder- en heup gewricht te trainen en er op toe te zien dat dit ook gebeurt tijdens de training.

 

Spanning
Spannen is het aanspannen van spieren waardoor de bewegelijkheid van een of meer gewrichten op een door de voltigeur zelf bepaald moment bewust geblokkeerd wordt. Tijdens het voltigeren kan spanning gebruikt worden voor:

 

a. Veiligheid
Spierspanning zorgt als het ware voor een soort ‘korset’. Bij afzetten en landen is het van groot belang dat het lichaam hard is en dus een grote stabiliteit vertoont. Daarmee kan men grote schokken opvangen. Afzetten en landen mag nooit ontspannen gebeuren, aangezien botstukken in de gewrichten met kracht op elkaar zouden klappen. De juiste stand van het skelet verdeelt de druk en de spieren fungeren als schokdempers. Vooral de spieren rond de schouders, rug, heupen, en knien zijn daarbij belangrijk.

b. Kaastkracht
Door de spieren te spannen is het lichaam te vergelijken met een hard opgepompte bal. Ontspannen spieren zijn te vergelijken met een zacht opgepompte bal. Een hard opgepompte bal stuit hoger. Door op het juiste moment te spannen neemt de kaatskracht van het lichaam toe.
Bij het voltigeren wordt kaatskracht alleen gebruikt bij het opspringen.

c. Reactiekracht
Spieren kunnen worden opgerekt totdat er gevoelsmatig een maximale spanning ontstaat. Dit is te vergelijken met het opspannen van een boog. Door het loslaten wordt de pijl weggeschoten. Bij het loslaten van de opgerekte spier ‘schieten de botten (lichaamsdelen) weg’, waardoor een snelle en felle beweging als reactie ontstaat.

In het turnen worden deze acties ook wel ‘kurbet-acties’ genoemd. Deze acties worden in talrijke technieken gebruikt. Bijvoorbeeld bij de ‘flik-flack’, De actie loopt van bol naar hol, naar bol. Bij het voltigeren wordt reactiespanning gebruikt bij het ‘terug-scharen’. De boogspanning dient echter binnen n galopsprong te worden opgebouwd en te ontspannen.

Bij voltigeren is het de bedoeling dat de reactiespanning wordt ondersteund door de beweging van het paard. Daarom dient de boogspanning binnen n galopsprong te worden opgebouwd en te ontspannen. Meerder galopsprongen in de boogspanning blijven zitten levert een averechts effect op. Boogspanning kan maar een fractie van een seconde worden volgehouden en verliest aan kracht als de spanning langer moet worden ‘vastgehouden’. Door de spanning wordt het moeilijk voor de voltigeur het juiste moment van ontspannen aan te voelen (bewegingsmoment van het paard) en tenslotte zal zeer waarschijnlijke het paard, dat spanning als onaangenaam ervaart, reageren.

d. Zwaaikracht
Door het snel omhoog zwaaien van gespannen, gestrekte, ledematen stijgt het massamiddelpunt. Deze stijging is maar van korte duur omdat de zwaartekracht zijn werk doet. Echter indien dit snel omhoog zwaaien van gestrekte ledenmaten gepaard gaat met krachtig afzetten, dan kan het massamiddelpunt nog meer stijgen, waardoor het lichaam een grotere hoogte krijgt. Bijvoorbeeld het ‘Blokken’ bij het volleyballen is hierop gebaseerd.

Bij het voltigeren wordt het principe van zwaaikracht gebruikt bij het flanken en het scharen. De gespannen benen worden krachtig naar achteren gezwaaid. Indien dit in het ritme van het paard gebeurd stijgt het massamiddelpunt en komt de voltigeur los van het paard. Indien de voltigeur tijdens de laatste moment van het stijgen van het massamiddelpunt de armen weet te strekken, dan kan de stijgen van het massamiddelpunt nog even worden gecontinueerd.
Radslag, arabier, barani en vooral overslag zijn goede oefeningen om het gevoel van de zwaaikracht van de benen te trainen. Door de kracht van het opzwaaien van het gestrekte been wordt de overslag gemaakt. Bij te weinig zwaaikracht of in elkaar kruipen lukt de overslag niet. Deze oefeningen worden tegenwoordig veelvuldig gebruikt als afsprongen bij het voltigeren.

 

Toepassing bij de verplichte oefeningen
Over het algemeen vereisen statische oefeningen onspanning en dynamische oefeningen meer kracht en spanning. Beide, dynamische- en statische oefeninge, vereisen lenigheid om het zwaartepunt boven het steunvlak te kunnen brengen en houden.

Opsprong vereist: (dynamische oefening)
  • Timing, ritmegevoel
  • Kaatskracht (afzet)
  • Zwaaikracht benen (hoogte)
  • Actieve Heuplenigheid (zwaartepunt, hoogte)
  • Schouderlenigheid (zwaartepunt en hoogte)
Vrije zit vereist: (statische oefening)
  • Ontspanning
  • Heuplenigheid (zitten met rechte rug)
  • Schouderlenigheid (zitten met rechte rug)
Vlag vereist: (statische oefening)
  • Ontspanning
  • Heuplenigheid (been in verlengde heup/schouder)
  • Schouderlenigheid (arm in verlgde heup/schouder)
Molen vereist: (statische oefening in vier fasen).
  • Ontspanning
  • Heuplenigheid (rechte vertikale rug)
  • Veiligheidspanning (landing na molen)
Schaar vereist: (dynamische oefening)
  • Timing, ritmegevoel
  • Zwaaikracht benen (hoogte)
  • Actieve Heuplenigheid (zwaartepunt, hoogte)
  • Schouderlenigheid (zwaartepunt en hoogte)
  • Reactiekracht benen (boogspanning, hoogte)
Staan vereist: (statische oefening)
  • Onstpanning
  • Lenigheid enkels
  • Schouderlenigheid (rechte rug)
Flanken vereist: (dynamische oefening)
  • Timing, ritmegevoel
  • Zwaaikracht benen (hoogte)
  • Actieve Heuplenigheid (zwaartepunt, hoogte)
  • Schouderlenigheid (zwaartepunt en hoogte)

U kunt ons bereiken op info@voltige.nl
Deze pagina hoort bij De Nederlandse Voltige Site
Sponsor van de site is Interactive Network Systems