Verslag van longeerclinic Ilonka Hömberg, 20-7-2003

Op zondag 20 juli gaf Ilonka Hömberg een longeerclinic tijdens de training voor het A- en B-kader voltige in Ermelo. Ilonka zit al 30 jaar in de voltige-sport, eerst als voltigeur, nu als longeur en trainster. Zij is verbonden aan RV Rhede uit Duitsland.
Ilonka begon de dag met een theorie-gedeelte, en daarna werden in totaal 12 paarden gelongeerd, waarbij zij tips gaf voor verbetering. Dit verslag is een samenvatting van het theorie-gedeelte. 
De basis-opleiding van een voltigepaard is nagenoeg gelijk aan de opleiding van dressuurpaarden, springpaarden en andere sportpaarden. Voor elke tak van paardensport streeft men naar dezelfde principes. Echter, voor een voltigepaard zullen bepaalde punten soms iets minder van belang zijn dan voor een dressuurpaard.

De 6 punten waarnaar we streven bij de africhting van een paard zijn:
- Takt

- Losgelatenheid (is hier een beter Nederlands woord voor?)
- Aanleuning
- Schwung
- Rechtgerichtheid
- Verzameling

Verzameling is het ultieme doel van de africhting van een paard. Verzameling is nodig, omdat hiermee de draagkracht van het paard groter wordt, omdat de voorbenen minder belast worden, en omdat een verzameld paard gewoon veel lekkerder zit. We moeten echter wel beseffen dat niet ieder paard tot een perfecte verzameling zal kunnen komen. Dit is ook afhankelijk van de bouw van het paard. Verwacht dus geen onmogelijke dingen van je paard.

Takt:
Takt wil zeggen dat het paard in elke gang zijn benen regelmatig in de juiste volgorde neerzet. Takt moet ook bij het loslongeren al aanwezig zijn. Stap is een 4-takt gang, draf een 2-takt gang en galop een 3-takt-gang. Galop is voor de voltige de belangrijkste gang. De beenvolgorde bij de linkergalop is: rechtsachter, diagonale beenpaar (linksachter + rechtsvoor), linksvoor, gevolgd door het zweefmoment. De 3-takt is een aangeboren eigenschap, niet alleen van paarden, maar ook bij bv. honden. Een veulen in de wei zal een zuivere 3-takt-galop laten zien. Bij voltigepaarden zien we vaak dat de 3-takt verloren gaat. We moeten hierbij echter wel onderscheid maken tussen de situatie waarbij inderdaad geen zuivere 3-takt meer aanwezig is, dus waarbij het diagonale beenpaar niet tegelijkertijd, maar ná elkaar worden geplaatst, en de situatie waarbij het zweefmoment verkort is.

De 3-takt in de galop kan verloren gaan door te weinig drijvende hulpen en/of een te zware belasting (groepskür). Vaak vinden de voltigeurs het wel prettig, omdat het paard dan niet zo’n grote sprong heeft. Als er eenmaal een 4-taktgalop is ontstaan, is dat moeilijk weer eruit te trainen. Je moet hierbij beseffen dat er een situatie is ontstaan waarbij een aangeboren eigenschap van het paard (de 3-takt) is veranderd in een aangeleerde beweging. Aan de longe is het so wie so moeilijk weg te trainen, omdat je de drijvende hulp van het buitenbeen mist. Je zult weer terug moeten naar de basis van de africhting

Losgelatenheid:
Vaak wordt dit omschreven als het lichamelijk los zijn, ontspannen zijn. Ilonka wil het liever omschrijven als: het dwangloze aanspannen en ontspannen van spieren, zodat het paard voorbereid is op wat er van hem wordt verwacht. Het paard hoeft niet persé met zijn neus over de grond te lopen om “losgelaten” te zijn. Het paard moet ook niet té los zijn, omdat het dan niet in staat is om gevraagde inspanningen te verrichten. Er moet wel een bepaalde basisspanning in de spieren aanwezig zijn. Losgelatenheid ontstaat wel vanuit “lang en laag” ingesteld zijn, maar langzamerhand dient het hoofd omhoog te komen. 

Om te zien of een paard losgelaten is, kan je letten op het orenspel, de staart, de mond en een swingende rug (dat laatste is vrij moeilijk te zien voor mensen die niet zo ervaren zijn met paarden).

Aanleuning:
Aanleuning is de constante verbinding tussen paardenmond en ruiterhand of tussen paardenmond en longeur én bijzetteugels. Aanleuning komt niet alleen vanuit de paardenmond, maar juist vanaf de achterhand naar voren. Het achterbeen moet geactiveerd worden, waardoor het paard aanleuning gaat zoeken en zich gaat “sluiten”. Aanleuning kan alleen ontstaan bij voldoende voorwaarts drijvende hulpen.

Bij het binnenkomen van de westrijdring moet een goede aanleuning aanwezig zijn, omdat je er dan nagenoeg geen invloed meer op kunt uitoefenen. Je kunt alleen nog een ophouding maken en tegelijkertijd wat aandrijven.

Met een “normale” longe is het best moeilijk om een goede aanleuning te verkrijgen. Je kunt geen verschil voelen tussen de linkerkant en de rechterkant van de mond. Met een dubbele longe is meer mogelijk. Sommige aanleunings-problemen zullen rijtechnisch moeten worden opgelost, omdat je dan veel meer mogelijkheden hebt om met je handen te “spelen”. 

 Takt, losgelatenheid en aanleuning zijn de 3 belangrijkste peilers voor de africhting van een voltigepaard en hangen nauw met elkaar samen. Als er ergens in het lichaam van het paard geen losgelatenheid is, kan er ook geen aanleuning ontstaan. Bij voltigepaarden wil nog wel eens een blokkade aanwezig zijn, doordat de singel op de schoft drukt. Je ziet dan vooral bij de opsprong dat het paard even blokkeert en het hoofd omhoog komt.

In de rug willen ook nog wel eens blokkades ontstaan. Vooral bij goed dressuurmatig getrainde paarden, die veel bespiering op de lendenen/nierstreek hebben. Die paarden hebben zo’n goed spiergebruik in de rug dat ze soms wat gevoelig reageren op een voltigeur op hun rug. Ilonka gaf als voorbeeld dat zij in de winter, als er minder wordt gevoltigeerd, een aantal paarden goed had gereden. Na de winter, toen ze weer voor de voltige werden ingezet, waren ze duidelijk iets gevoeliger in de rug dan voorheen. Kennelijk heeft een voltigepaard een soort “beschermingsschild” op zijn rug. Een geschikt voltigepaard is daarom vaak wat langer en niet al te gespierd in de nierstreek (let wel: er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen op deze regel).

Bij het te kort bijzetten van een paard, kunnen ook problemen ontstaan. Hiervoor is het nodig even in te gaan op een stukje anatomie van het paard. De schoft bestaat uit een aantal doornuitsteeksels van de rugwervels. In rust steken die uitsteeksels schuin naar achteren (ze zijn als het ware achterover gekiept ten opzichte van het paard). De nekspieren zijn aangehecht aan deze doornuitsteeksels. Als het paard zijn hoofd omlaag brengt, worden de nekspieren opgerekt, en “kiepen” de doornuitsteeksels (schoft) dus als het ware naar voren. Als het paard nu te kort wordt bijgezet, kunnen de nekspieren niet meer rekken, en dus kan de schoft niet meer naar voren kiepen bij beweging. Daardoor kan de singel weer op de schoft gaan drukken.

Schwung:
Schwung kan worden omschreven als het energetisch naar voren gaan van het paard. Het gaat hierbij vooral om wat het achterbeen doet. Er dient een duidelijke buiging van het achterbeen aanwezig te zijn. Een paard kan heel snel lopen, maar dus geen schwung hebben. De beweging van het achterbeen dient duidelijk voorwaarts/opwaarts te zijn (vooral in draf goed te beoordelen). Dit kan alleen als de rug goed losgelaten is.

Rechtgerichtheid:
Een paard is rechtgericht wanneer de achterbenen in hetzelfde spoor lopen als de voorbenen. Ook op de volte kan een paard dus rechtgericht zijn. Het paard is dan in de lengte-as gebogen, de afdruk van de achterhoeven valt in dezelfde lijn als van de voorhoeven. Dit klinkt vrij simpel, maar elk paard is aangeboren scheef, omdat het veulen in de baarmoeder altijd gedraaid ligt.

Alhoewel het voor voltigepaarden gemakkelijker is om rechtgericht te lopen dan voor dressuurpaarden (een voltigepaard loopt constant dezelfde lijn), blijken heel veel voltigepaarden toch niet rechtgericht te lopen. Vooral het buitenachterbeen blijkt nog wel eens iets naar binnen of buiten te worden geplaatst, en wordt dan dus relatief zwaarder belast dan de overige benen. Als er dan ook nog 3 voltigeurs op het paard zitten, is er dus duidelijk sprake van overbelasting. Dit wordt geïllustreerd door het feit dat bij de veterinaire keuring op internationale voltige-wedstrijden 70% van de paarden die werden afgekeurd, werden afgekeurd vanwege kreupelheid in het rechterachterbeen!

Dus: niet rechtrichten leidt tot slijtage. Bovendien kan je nooit tot een optimale verzameling komen als het ene achterbeen meer gewicht draagt dan het andere. 

Verzameling:
Hier is Ilonka verder niet specifiek op ingegaan.

Behalve de 6 punten takt, losgelatenheid, aanleuning, schwung, rechtgerichtheid en verzameling, is er nog een begrip dat van belang is, en dat door de hele africhting meespeelt, namelijk durchlässigkeit (misschien in het Nederlands te vertalen als doorlatigheid?). Met durchlässigkeit wordt bedoeld de bereidheid van het paard om op elk moment naar je hulpen te luisteren. Het gaat als het ware om het lichamelijke en geestelijke “doorlaten” van de hulpen. 

Gek genoeg zijn paarden die niet zo durchlässig zijn, vaak wel geschikt als voltigepaard. Ze hoeven tenslotte niet om de paar seconden iets nieuws te gaan doen, maar moeten vooral regelmatig doorgalopperen. Durchlässigkeit is wel belangrijk voor een voltigepaard, hij moet tenslotte wel luisteren naar de hulpen, maar het is niet zo belangrijk als voor een dressuur- of springpaard.

Terug naar "Nieuws actueel"


U kunt ons bereiken op info@voltige.nl
Deze pagina hoort bij De Nederlandse Voltige Site
Sponsor van de site is Interactive Network Systems